Interestvoet bij handelstransacties voor 2e semester 2017

Laattijdige betalingen van facturen kunnen grote gevolgen hebben voor uw onderneming. De interestvoet die van toepassing is in geval van betalingsachterstand bij handelstransacties bedraagt 8% tussen 1 juli 2017 en 31 december 2017. Hij wijzigt dus niet ten opzichte van de interestvoet die gold voor het eerste semester van 2017.

Welke interestvoet gebruiken?

Het regime van de betalingsachterstand bij handelstransacties is van toepassing op betalingen in uitvoering van overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd ná 15 maart 2013, én op alle overeenkomsten die gesloten werden vóór 16 maart 2013, maar die na 15 maart 2015 nog liepen/lopen.

Om de zes maanden legt de minister van Financiën de interestvoet voor achterstallige betalingen bij handelstransacties vast. Lange tijd bleef de interestvoet ongewijzigd. Hij bedroeg 8,5% van 1 juli 2013 tot 30 juni 2016. Sinds 1 juli 2016 is hij gedaald naar 8%.

Wat zijn handelstransacties?

Handelstransacties zijn transacties tegen betaling tussen ondernemingen (vrije beroepers, zelfstandigen of non-profitbedrijven) of tussen ondernemingen en overheidsinstanties waarbij de overheidsinstantie de schuldenaar is en het een 'kleine opdracht' betreft (klein = maximum 8.500 euro of 17.000 euro in de sectoren water, post, energie of vervoer). De transactie moet bovendien leiden tot het leveren van goederen; het verrichten van diensten; of het ontwerpen en uitvoeren van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken.

Transacties tussen ondernemingen en particulieren en niet-commerciële transacties zoals het toekennen van subsidies, prijzen of schadevergoedingen vallen niet onder het toepassingsgebied van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
Ook als de schuldenaar het bewijs kan leveren dat hij niet verantwoordelijk is voor de betalingsachterstand, is deze wet niet van toepassing.

Welke betalingstermijn toepassen?

Als er in de overeenkomst geen betalingstermijn wordt afgesproken (contractuele betalingstermijn), dan moeten facturen binnen de 30 dagen worden betaald (wettelijke betalingstermijn). Die termijn begint te lopen:

vanaf de ontvangst van de factuur,

vanaf de ontvangst van de goederen/diensten of het uitvoeren van de werken,

na aanvaarding of controle, en ten laatste vanaf het aflopen van de verificatietermijn.

Na die 30 dagen beginnen er verwijlinteresten te lopen zonder dat er een ingebrekestelling of officiële brief is vereist.

Ondernemingen mogen een langere betalingstermijn afspreken in hun contracten. Een termijn van 60 kalenderdagen is in vele sectoren gebruikelijk en aanvaardbaar (lees billijk).

Overheidsinstanties, zoals gemeenten, provincies, ocmw's, departementen of agentschappen, moeten zich daarentegen houden aan de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen. Overheden kunnen alleen een langere betalingstermijn afspreken “als dit objectief wordt gerechtvaardigd door de bijzondere aard of door bepaalde elementen van de overeenkomst”. Maar ook dan mag de betalingstermijn 60 kalenderdagen niet overschrijden.

Als partijen betalen in termijnen, wordt de verwijlinterest alleen berekend op de bedragen die te laat werden gestort.

Ook invorderingskosten bij een laattijdige betaling?

Bovenop de verwijlinteresten is de schuldenaar bij een laattijdige betaling automatisch ook een forfait voor invorderingskosten van 40 euro verschuldigd. Als de schuldeiser kan bewijzen dat zijn invorderingskosten hoger waren, kan dit forfait worden verhoogd.

Nieuws

De rechtspraak is niet eenduidig: als een vennootschap een woning in eigendom heeft, en deze woning enkel of vooral dient voor de huisvesting van de zaakvoerder, zijn de kosten verbonden aan die woning dan aftrekbaar? De rechtbank van Gent vond onlangs van niet, maar het hof van beroep van Gent vond op bijna hetzelfde moment van wel.

De liquidatiereserve laat een ondernemer die zich in een vennootschapsvorm organiseert, toe om een spaarpotje op te bouwen dat bij stopzetting van de vennootschap belastingvrij kan uitgekeerd worden. Maar die belastingvrijstelling geldt niet voor de aandeelhouders die zelf de vorm van een vennootschap hebben. Een oplossing biedt zich aan.

De voorwaarden en de modaliteiten voor de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing (BV) in geval van ploegen- en nachtarbeid geeft regelmatig aanleiding tot discussies. In een circulaire van midden november spreekt de fiscus zich uit over de zogenaamde één derde norm: die moet u voortaan altijd 'per uur' berekenen.