Geheime commissielonen: hoelang tijd voor identificatie?

Als een vennootschap de genieter van een uitgave die zij deed niet identificeert, dan kan zij een aanslag geheime commissielonen oplopen. Die aanslag kan zij vermijden als de genieter ‘uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar’ geïdentificeerd wordt. Het hof van beroep van Antwerpen geeft daar toelichting bij.

Bijzondere aanslag

Als een vennootschap beroepsuitgaven doet of bepaalde voordelen toekent, zonder de genieter van die sommen te identificeren, dan loopt zij een bijzondere aanslag op van 100% van de kosten. In principe moet u geen genieters identificeren als er een factuur werd opgemaakt. Maar, als er geen factuur werd opgemaakt en u doet een bepaalde uitgave (bv. u betaalt een notaris) of u kent een voordeel toe aan een bepaald persoon (bv. u betaalt via de vennootschap privé-kosten van familieleden), dan moet u die persoon identificeren via een zogenaamde fiche 281.50.

Als u dat niet doet, dan loopt u zoals gezegd aan tegen een bijzondere aanslag van 100% van het bedrag van de kosten of voordelen. Die bijzondere aanslag is op zichzelf niet aftrekbaar.

Aanslag vermijden

Als u de fiche 281.50 niet heeft opgemaakt en u dus het risico loopt op zo'n bijzondere aanslag geheime commissielonen, dan kan u de aanslag alsnog vermijden als u kan aantonen dat de genieter de betrokken inkomsten heeft aangegeven.

Bijkomend is de aanslag ook niet van toepassing als de genieter 'op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar'. De reden voor deze ontsnappingsroute is dat de fiscus dan nog tijd heeft om de genieter effectief te belasten op het ontvangen voordeel.
Ter illustratie: een vennootschap heeft een boekjaar per kalenderjaar.
In 2021 (aanslagjaar 2022) heeft ze een voordeel toegekend. De genieter moet dan geïdentificeerd worden, ten laatste op 30 juni 2024 (zijnde 2,5 jaar na 1 januari 2022).

Aanslagjaar

Voor het hof van beroep van Antwerpen werd de vraag gesteld hoe die termijn moet berekend worden als de boekhouding van de vennootschap niet samenvalt met het kalenderjaar.
Stel in ons voorbeeld dat de voordelen werden toegekend in 2021 maar dat het boekjaar afsluit op 30 december 2021.
De natuurlijke persoon ontvangt zijn voordeel dan in aanslagjaar 2022 (in de personenbelasting), maar de vennootschap heeft het toegekend in aanslagjaar 2021 (in de vennootschapsbelasting).
Welk aanslagjaar kiest de fiscus dan?
Als de fiscus vertrekt van aanslagjaar 2021, dan moet de identificatie plaatsgevonden hebben ten laatste op 30 juni 2023. In het andere geval is dat 2024.
De fiscus aarzelt in de praktijk niet om voor de eerste deadline te gaan.

Kijken naar de genieter

Het hof van beroep van Antwerpen kreeg die vraag dus voorgelegd.
In casu was de bijzondere aanslag verbonden aan aanslagjaar 2014, maar de genieter had het voordeel maar ontvangen in aanslagjaar 2015.
De genieter werd pas in december 2016 'op ondubbelzinnige wijze geïdentificeerd'. Te laat of op tijd?

Te laat voor de fiscus die dus 2,5 jaar rekende vanaf 1 januari 2014 (30 juni 2016). Op tijd volgens de belastingplichtige die rekende vanaf 1 januari 2015.

Het hof van beroep van Antwerpen gaat categoriek voor aanslagjaar 2015 als vertrekpunt en bijgevolg werd de belastingplichtige nog tijdig geïdentificeerd. Geheel onlogisch is dit niet: de bedoeling van de 2,5 jaar is dat de fiscus in dat geval nog de kans heeft om de inkomsten alsnog bij de genieter te belasten. En daarom kijkt zowat iedereen naar het aanslagjaar van de genieter. Nu de fiscus ook nog.

Nieuws

Nadat het Grondwettelijk Hof de regeling voor 'het belastingvrij bijklussen' eind 2020 vernietigde, werd een nieuw en specifieke belastingregeling ingevoerd voor de diensten (en dus niet voor de verkoop van goederen) die een particulier aan een andere particulier levert door tussenkomst van een erkend elektronisch platform. De administratie heeft in de loop van mei daar in circulaire 2021/C/44 wat toelichting bij gegeven.

Als u materiaal aanbiedt aan uw medewerkers om te kunnen werken, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel beschouwt de fiscus het als kosten eigen aan de werkgever (en dan is het niet belastbaar voor de werknemer), ofwel als voordeel van alle aard (en dan is het uiteraard wel belastbaar). Pc’s en smartphones vallen onder die laatste categorie. Maar wat met de accessoires ervan?

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.