Eigen werk waarderen aan vervaardigingsprijs?

Recent oordeelde het Hof van Cassatie, volkomen terecht, dat als u zelf werkzaamheden verricht bij de totstandkoming van een vast activum, de waarde van die werkzaamheden meegeteld moeten worden bij de boekhoudkundige waarde van de activa. Het hof van beroep van Brussel dacht daar in 2018 anders over.

De aannemer een handje toesteken

Een vennootschap had op een terrein in volle eigendom een loods met woning laten optrekken. De zaakvoerder en het personeel hadden bij de opbouw geholpen. De loods werd door de aannemer opgetrokken maar het gebouw werd deels door aannemers opgetrokken en deels door de zaakvoerder met zelf aangekochte materialen en met de hulp van personeelsleden.

Voor btw-doeleinden werd de totale waarde van de nieuwbouw geschat op 126.000 euro waarvan zowat 65.000 euro voor het eigen werk. In de boekhouding van de vennootschap verscheen het gebouw echter voor slechts om en bij de 70.000 euro.
De fiscus stelt een onderwaardering van activa vast en volgens artikel 24, 4° van het WIB1992 vormt zo'n onderwaardering een verdoken reserve die belastbaar is als winst van het betrokken jaar.

De belastingplichtige was op zich wel akkoord met de onderwaardering, zowel boekhoudkundig als fiscaal. Maar, hij had er wel een probleem mee dat het bedrag van deze onderwaardering in één keer werd toegevoegd aan de belastbare winst.

Het hof van beroep ziet geen graten in de onderwaardering

Het hof van beroep van Brussel meent dat zowel de wetgeving inzake inkomstenbelastingen als het boekhoudrecht de belastingplichtige toelaat het gebouw in haar balans evenals de afschrijfbare basis, te waarderen aan de aanschaffingsprijs en niet verplicht is dit te doen aan enige vervaardigingswaarde.

Het hof leidt uit artikel 36 van het KB/W.Venn. (tegenwoordig art. 3:14 KB/WVV) af dat de belastingplichtige een keuze heeft om het activum te waarderen aan de aanschaffingsprijs. Zou dat het geval zijn, dan zou het gebouw inderdaad gewaardeerd worden aan “de aankoopprijs en de bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten”.

Het Hof van Cassatie verbreekt het arrest van het hof van beroep

De zienswijze van het hof van beroep is wellicht niet correct. Artikel 35 van het KB/W.Venn. (overgenomen in art. 3:13 KB/WVV), stelt dat:

a) (...) elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans (wordt) opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

b) Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan:

of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 3:14,

of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 3:15,

of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 3:17.

Volgens het Hof van Cassatie moet men in dit geval inderdaad kijken naar artikel 3:15 van het KB/WVV (oud artikel 37 KB/W.Ven). Uit die bepalingen volgt dat als een activum gedeeltelijk door de vennootschap zelf tot stand wordt gebracht, het in die mate moet worden gewaardeerd aan vervaardigingsprijs. Enkel de onrechtstreekse productiekosten kunnen geheel of gedeeltelijk niet in de vervaardigingsprijs worden opgenomen, mits dit wordt vermeld in de toelichting.
Als het hof van beroep oordeelt dat de waarde van de door de zaakvoerder en het personeel geleverde arbeid niet moet worden opgenomen in de aanschaffingswaarde van het gebouw (en dat er geen fiscale onderschatting van het actief zou zijn), slaat het de bal dus mis.

Onderwaarderingen worden belast in het jaar van ontdekking

Het Hof van Cassatie bevestigt dus de visie van de belastingadministratie.
En die visie kan als volgt samengevat worden:

onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva vormen een onderdeel van de belastbare winst van een onderneming (in zover de onderwaardering of de overwaardering niet samenvalt met resp. een al dan niet uitgedrukte vermeerdering of vermindering noch met fiscaal aanvaarde afschrijvingen); en

dergelijke onderwaarderingen van activa en overwaarderingen van passiva zijn in toepassing van artikel 361 van het WIB1992 belastbaar in het jaar van de ontdekking.

Nieuws

Als een werknemer kosten maken in opdracht van, of ten voordele van zijn werkgever, dan zal de werkgever die kosten in principe terugbetalen. Dergelijke betalingen zijn 'kosten eigen aan de werkgever'. Ze zijn niet belastbaar in hoofde van de werknemer en zijn gewoon aftrekbaar in hoofde van de werkgever. In principe moet de werknemer de echtheid en het bedrag van de uitgave bewijzen, maar er bestaan uitzonderingen, zoals voor verblijfskosten.

Tegen 2026 zal het belastingregime voor bedrijfswagens dus radicaal wijzigen, zij het in verschillende stappen. Hoe zit het met de fiscale aftrekbaarheid van uw huidige bedrijfswagen of vloot? En met welke spelregels moet u rekening houden als u vanaf 2023 een nieuwe wagen koopt of leaset?

Bij een nieuw jaar horen traditiegetrouw goede voornemens. Voor uw onderneming raden wij voor 2023 een overstap naar elektronische facturatie aan. U doet er uw accountant, maar vooral uzelf, een groot plezier mee.