Berekening voordeel alle aard voor bedrijfswagens in 2020

Als een werkgever een bedrijfswagen ter beschikking stelt van een werknemer of bedrijfsleider, dan wordt die werknemer/bedrijfsleider op het voordeel belast. De berekening van het voordeel is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2019 weer een beetje omhoog en dat is goed nieuws voor wie een bedrijfswagen heeft.

Voordeel van alle aard

De berekening van het voordeel van alle aard verbonden aan een bedrijfswagen gebeurt volgens de volgende formule: cataloguswaarde x CO2-percentage x 6/7 x leeftijdspercentage

De cataloguswaarde is de prijs die voor het voertuig betaald moet worden, inclusief btw en inclusief eventuele opties, maar zonder rekening te houden met enige korting. Die cataloguswaarde verandert daarna niet meer maar er wordt wel rekening gehouden met een zekere afname van de waarde op basis van de leeftijd van het voertuig. Het eerste jaar is het leeftijdspercentage 100%. Elk jaar gaat er dan 6% van af, maar het mag niet onder 70% komen.

In de formule is er vervolgens sprake van een CO2-percentage (ook CO2-coëfficiënt). Hoe wordt dit percentage berekend?
Het percentage bedraagt standaard 5,5%. Maar vervolgens moeten we corrigeren.
De eerste stap in die 'correctie' is de vergelijking van de CO2-uitstoot van uw voertuig met de gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark in de 12 maanden voor oktober van het jaar vóór het belastbaar tijdperk. Voor de inkomsten van 2020 is dat dus de gemiddelde uitstoot van oktober 2018 tot september 2019.
Die gemiddelde uitstoot wordt jaarlijks gepubliceerd (in de loop van december). Voor inkomstenjaar  2020 bedraagt de gemiddelde uitstoot:

111 g/km voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor; en

91 g/km voor voertuigen met dieselmotor.

Dat is een stijging ten aanzien van vorig jaar waar de gemiddelden resp. 107 g/km en 88 g/km.

Stap 2 in de berekening van het CO2-percentage is het omzetten van het verschil tussen de uitstoot van uw voertuig en de gemiddelde uitstoot, in een 'correctie' op het standaard CO2-percentage van 5,5%. Voor elke gram CO2 dat uw voertuig onder of boven het gemiddelde zit, verlagen of verhogen we het percentage met 0,1%. Het percentage moet tussen 4% en 18% liggen.
Heeft uw diesel-voertuig bijvoorbeeld een CO2-uitstoot van 100, dan is het CO2-percentage gelijk aan 5,5 + [0,1 * (100 - 91)]. Dus 5,5 + 0,9: het CO2-percentage is 6,4%.

Meer CO2 is goed voor uw portemonnee

Het klinkt bijzonder raar in deze tijden maar door de stijging van de gemiddelde CO2-uitstoot, wordt een bedrijfswagen goedkoper.
Stel dat u van de onderneming in 2019 een dieselvoertuig van 40.000 euro ter beschikking krijgt. De wagen heeft een CO2-uitstoot van 100. Het voordeel is dan gelijk aan 40.000 euro x 6/7 x (leeftijd) x CO2-percentage = 34.285,71 euro x CO2-percentage.

In 2019 is dat CO2-percentage gelijk aan [(100 - 88) x 0,1] + 5,5% = 6,7%. Het voordeel is dus 2.297,14 euro op jaarbasis.

In 2020 is het CO2-percentage gelijk aan [(100 - 91) x 0,1] + 5,5% = 6,4% wat een belastbaar voordeel oplevert van 2.194,29 euro. We vermenigvuldigen vervolgens nog met 94% als leeftijdcorrectie: 2.062,63 euro.

Het valt te verwachten dat de komende jaren de gemiddelde CO2-uitstoot toch weer zal dalen omdat steeds meer werkgevers inzetten op milieuvriendelijke en elektrische wagens.

Minimum voordeel

Ten slotte voorziet de wet ook nog dat het belastbaar voordeel van een bedrijfswagen niet lager mag zijn dan 1.360 euro (voor inkomstenjaar 2020).

Nieuws

Het standaardtarief van de investeringsaftrek bedroeg voor kmo’s 20% in 2018 en 2019. Vanaf aanslagjaar 2021 (wat meestal overeenkomt met investeringen in 2020) geldt terug het ‘oude’ standaardtarief van 8%.

Verbouwingswerken kunnen, mits naleving van een reeks voorwaarden, genieten van een btw-tarief van 6%. Professioneel gebruikte gebouwen kunnen niet van dat voordeeltarief genieten. Wat doen we dan met gemengd gebruikte gebouwen?

Toen midden maart de regering de eerste coronamaatregelen nam, waren die vooral bedoeld om de liquiditeitspositie van particulieren en bedrijven te vrijwaren. Naarmate de tijd vorderde en de pandemie afzwakte werden enkele tussenkomsten gestopt of afgezwakt. Andere maatregelen moesten de ondernemingen helpen bij de relance. Het uitstel van betaling van RSZ-bijdragen is één van het laatste type.