Aanvullend pensioen: Definitieve regeling Wijninckx-bijdrage weer uitgesteld

Als u voor een werknemer stortingen doet voor de opbouw van een aanvullend pensioen, moet u in bepaalde gevallen een "Wijninckx-bijdrage" betalen. Die bijzondere bijdrage wordt in fasen uitgevoerd. In de definitieve fase geldt een andere berekeningsbasis. Deze fase zal pas op 1 januari 2019 van start gaan omdat de pensioeninstellingen en Sigedis nog altijd niet klaar zijn met de gegevensinzameling.

Principe Wijninckx-bijdrage

Premies voor de samenstelling van een aanvullend pensioen ten gunste van een loontrekkende werknemer (of zelfstandige bedrijfsleider) zijn onderworpen aan een sociale zekerheidsbijdrage van 8,86%. Voor 'hoge' aanvullende pensioenen moet daar bovenop ook een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,50% worden betaald op de gestorte premies die meer dan 30.000 euro per jaar bedragen. De Wijninckx-bijdrage is dus een belasting op premies voor aanvullende pensioenen uit de tweede pijler: de groepsverzekering en de IPT (Individuele Pensioentoezegging).

De werkgever of vennootschap moet de Wijninckx-bijdrage aan het RSVZ (Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen) betalen vóór 31 december van elk jaar op een specifiek daarvoor geopende rekening. Een bijdrage wordt als betaald beschouwd op de dag waarop het bedrag op de rekening van het RSVZ staat (BE06 6790 0247 5722 - BIC PCHQBEBB).
Wanneer de betalingstermijn is verstreken, rekent het RSVZ een verhoging van 1% per maand aan op het gedeelte van de bijdrage dat niet tijdig wordt betaald. Dit gebeurt ambtshalve en zonder ingebrekestelling.

Berekening Wijninckx-bijdrage in twee fasen

Tijdens de overgangsfase van 1 januari 2012 tot 31 december 2018 moet de bijzondere bijdrage alleen worden betaald wanneer de som van de stortingen van de bijdragen en/of de premies voor de opbouw van een aanvullend pensioen, meer dan 30.000 euro per jaar bedraagt (geïndexeerd bedrag voor bijdragejaar 2017 = 31.836 euro).
Wanneer het totaal van de gestorte bijdragen en premies (van werkgever en werknemer) hoger is dan 31.836 euro, betaalt de werkgever een bijdrage van 1,5% op het deel dat dit bedrag overschrijdt. De bijzondere bijdrage wordt alleen berekend op het werkgeversdeel.

In de definitieve fase vanaf 1 januari 2019 wordt het drempelbedrag vervangen door de zogenaamde 'pensioendoelstelling'. Die pensioendoelstelling is gelijk aan het maximale ambtenarenpensioen vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk (loopbaanjaren gedeeld door 45). Dit betekent dat vanaf 2019 wanneer de som van het wettelijke pensioen en het aanvullende pensioen van een loontrekkende werknemer op 1 januari van een jaar hoger is dan de pensioendoelstelling, de werkgever of de sectorale inrichter op de bijdragen en premies die hij in de loop van het jaar stort voor het aanvullend pensioen, een bijdrage van 1,5% zal verschuldigd zijn. Vzw Sigedis -de pensioendatabank van de tweede pijler- zal de doelstelling jaarlijks vaststellen en meedelen aan de werkgever-vennootschap.

RSVZ, Willebroekkaai 35 te 1000 Brussel
Algemene informatie: www.db2p.be

Nieuws

Nadat het Grondwettelijk Hof de regeling voor 'het belastingvrij bijklussen' eind 2020 vernietigde, werd een nieuw en specifieke belastingregeling ingevoerd voor de diensten (en dus niet voor de verkoop van goederen) die een particulier aan een andere particulier levert door tussenkomst van een erkend elektronisch platform. De administratie heeft in de loop van mei daar in circulaire 2021/C/44 wat toelichting bij gegeven.

Als u materiaal aanbiedt aan uw medewerkers om te kunnen werken, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel beschouwt de fiscus het als kosten eigen aan de werkgever (en dan is het niet belastbaar voor de werknemer), ofwel als voordeel van alle aard (en dan is het uiteraard wel belastbaar). Pc’s en smartphones vallen onder die laatste categorie. Maar wat met de accessoires ervan?

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.