Een nieuw wetboek van vennootschappen: krachtlijnen van het voorstel

We staan aan de vooravond van een ingrijpende modernisering van het Belgisch vennootschapsrecht. De krachtlijnen van deze hervorming beogen een doorgedreven vereenvoudiging en een beperking van het aantal vennootschapsvormen. De hervorming zou al snel in werking treden met een vrij lange overgangsperiode.

Wetboek van vennootschappen wordt Wetboek van vennootschappen en verenigingen

De laatste fundamentele hervorming in het vennootschapsrecht dateert van de invoering van het Wetboek van vennootschappen of W.Venn. (wet van 7 mei 1999) en het koninklijk besluit van 30 januari 2001. Sindsdien is het wetboek meer dan 50 keer al dan niet ingrijpend gewijzigd, waarvan ongeveer 25% wijzigingen op grond van Europese voorschriften. Nu is het tijd voor een grondige modernisering om Belgische ondernemers een goed vennootschapsrecht aan te bieden dat hun onderneming ondersteunt en om buitenlandse ondernemers warm te maken voor een breder gebruik van de Belgische rechtsvormen.

Het voorstel van minister van Justitie Koen Geens over het voorontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en houdende diverse bepalingen is op 27 juli 2017 door de ministerraad goedgekeurd. De bedoeling is dat het nieuwe wetboek in 2019 van kracht wordt. Voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen zal een overgangsperiode van 10 jaar worden voorzien om zich aan de nieuwe regels aan te passen.

Naar 4 vennootschapsvormen

Het is de bedoeling om de bestaande structuren tot 4 vennootschapsvormen te herleiden: de maatschap, de bvba, de cvba en de nv. Daarbij zou de nv de natuurlijke rechtsvorm worden voor de genoteerde en voor de grote onderneming, terwijl middelgrote en kleine ondernemingen voor de bvba moeten kiezen.

Alle andere bestaande vormen kunnen juridisch worden teruggebracht tot deze 4 vormen. De vennootschap met sociaal oogmerk (VSO) kan haar doel (herinvestering van alle winsten) realiseren via een coöperatieve vennootschap (cvba). De landbouwvennootschap wordt omgezet in een commanditaire vennootschap (de maatschap).

De coöperatieve vennootschap blijft bestaan maar zal zich meer focussen op haar oorspronkelijke taak: de realisatie van haar gedachtengoed door personen die tegelijk vennoot en klant zijn (bv. een verbruikscoöperatieve) of leverancier (bv. een zuivelcoöperatieve).

Naast deze 4 vormen van vennootschap blijft de vzw voor verenigingen en ledenloze stichtingen bestaan. Zij worden ook als een onderneming beschouwd en mogen blijven werken voor zover ze geen winst aan hun leden of bestuurders uitkeren. Het verenigingsrecht wordt structureel geïntegreerd in één Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

De Europese vormen (IESV, SE en SCE) blijven behouden.

Flexibilisering van de bvba

Eén van de opvallendste wijzigingen is de afschaffing van de kapitaal- en kapitaalbeschermingsregels in de bvba. Het toereikend eigen vermogen wordt de regel. Men zal zelf kunnen beslissen hoeveel maatschappelijk kapitaal wordt ingebracht. Via strengere regels inzake aansprakelijkheidssancties voor bestuurders, financieel plan, enz. wordt de solvabiliteit en de liquiditeit gecontroleerd.
Door de afschaffing van het kapitaal zal wel een aantal beperkte, eerder technische ingrepen nodig zijn aan de boekhoudreglementering en de fiscaliteit.
Een bv (en cv) heeft in principe 1 bestuurder maar het bestuursorgaan kan ook uit meerdere bestuurders bestaan (ev. als college).

Tot slot. Van de hervorming wordt gebruik gemaakt om het bekendmakingssysteem voor
vennootschapsdocumentatie te vereenvoudigen en te moderniseren. Dit zou worden verwezenlijkt via een unieke overheidswebsite en door duidelijkere en soepelere taalvereisten.

Nieuws

Nadat het Grondwettelijk Hof de regeling voor 'het belastingvrij bijklussen' eind 2020 vernietigde, werd een nieuw en specifieke belastingregeling ingevoerd voor de diensten (en dus niet voor de verkoop van goederen) die een particulier aan een andere particulier levert door tussenkomst van een erkend elektronisch platform. De administratie heeft in de loop van mei daar in circulaire 2021/C/44 wat toelichting bij gegeven.

Als u materiaal aanbiedt aan uw medewerkers om te kunnen werken, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel beschouwt de fiscus het als kosten eigen aan de werkgever (en dan is het niet belastbaar voor de werknemer), ofwel als voordeel van alle aard (en dan is het uiteraard wel belastbaar). Pc’s en smartphones vallen onder die laatste categorie. Maar wat met de accessoires ervan?

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.